24-10-07

De duisternis van het licht

                                                  De duisternis van het licht 

Het was zestien september 1954 en een warme nazomeravond. Het laatste schemerlicht omsluierde de stilte en het duurde niet lang voor alle schaduwen verdronken waren in de duistere nacht. In de Esseghemstraat slenterde een man naar huis. Niets in zijn verschijning maakte hem anders dan alle andere mannen die ooit deze straat bewandeld hadden. Zijn donker, wazig silhouet bewoog zich verder in het zinderend licht van een lantaarn. Even later ontsloot hij de deur.

“Stil, Loulou,” fluisterde hij naar de witte hond die met een kwispelende staart naar zijn baasje huppelde, “je wil toch niet dat we Georgette zouden wakker maken?”

Nadat hij zijn bolhoed netjes aan de kapstok had gehangen, sloop hij zachtjes door de hal naar de woonkamer. Tastend in het donker zocht hij naar zijn pijp op de eikenhouten tafel en ging vervolgens in de schommelstoel zitten. Zo zat hij daar urenlang uit het open raam te staren. Dat was niets nieuws, het behoorde tot de vaste rituelen van een zomeravond. Stil keek hij toe hoe de transparante gordijnen heen en weer bewogen door de koelere windvlagen. Het leek alsof het maanlicht –gefilterd door de bladeren van de esdoorn – alle voorwerpen in de kamer betoverde en de stilte vasthield als in een kooi, gevangen. Alle spelden die het ook maar zouden wagen om te vallen, zouden voor eens en altijd verdwijnen en niemand zou ooit nog een woord of één enkele letter uitspreken om de rust niet in duizend scherven te laten breken.

De stilte was echter schijn, want in het hoofd van de man bruiste het van gedachten, herinneringen en gevoelens. Het was zijn eigen onzichtbare wereld, met vaste gedachten als zware rotsblokken die in de lucht schenen te zweven zonder dat de zwaartekracht er enig vat op had. Onverwoestbaar. In zijn verbeelding zag hij hoe hagelwitte wolken aan een hemelsblauwe lucht voorbij schoven. Hij hoorde er in de verte het rinkelen van paardenbellen en het zwatelen van de zilte zee. Vogels maakten er hun eerste lentevlucht en je kon er de zoete smaak van frisgroene appels proeven. Langzaam stierven de beelden weg als golven bij eb en verdronk alles in zijn slaap.

Toen hij de volgende morgen ontwaakte in diezelfde schommelstoel, had Georgette reeds het ontbijt klaargezet. Hoewel alles er heerlijk uitzag, kon de man er niet van genieten. Hij richtte zijn blik voortdurend op het lege doek in de hoek van de kamer. Hij was al dagen op zoek naar nieuwe inspiratie, maar telkens hij een poging deed om opnieuw te schilderen, bedacht hij zich nog voor hij zijn penseel in de verf had gedopt. Hij had het gevoel alsof hij een trap beklom die nergens naartoe leidde. Toch stond hij even later op, nam zijn schetsboek en begon vluchtig lijnen te trekken. Na verloop van tijd bekeek hij het geheel met een afkeurende blik, scheurde het papier in snippers en nestelde zich opnieuw in zijn vertrouwde schommelstoel. Plots herinnerde hij zich weer wat hij die nacht gedroomd had en werd hij volledig vervuld met dat gevoel. Hij bevond zich in twee bodemloze werelden waarvan de gescheurde randen in elkaar pasten. Alles leek er tegengesteld. Hijzelf voelde zich als een schaduw op een wit blad. Harmonieuze pianomuziek contrasteerde met dissonante tonen van een ontvlamde tuba. Het waren allemaal slechts flarden die hij zich voorstelde. Toch stonden de beelden in zijn geheugen gegrift. Hij wenste dat hij er een schilderij van kon maken: een tafereel dat tegengestelden met elkaar liet wedijveren zoals in zijn droom, maar hen tegelijk ook verzoende. Een tafereel waar het onmogelijke de realiteit zou geworden zijn… Slechts een zucht, uitgeblazen door verlangens, verraadde hoe zijn stille droom ooit zou ontwaken.

De man greep zijn schetsboek en zocht haastig naar een onbeschreven blad. Zelfs Loulou kon aan het geluid van de potloodlijnen horen dat zijn stemming veranderd was. De hond lag rustig op het tapijt naast zijn vertrouwde baasje. Toen de dag langzaam de nacht vaarwel kuste, legde de man zijn potlood neer en stapte naar buiten om een wandeling te maken met Loulou. Nadat hij de deur achter zich sloot, werd hij verblind door het licht van de lantaarn. Hij knipperde met zijn ogen. Het duurde een tijd voor hij opnieuw de schaduwen en huizen van elkaar kon onderscheiden. Loulou leek nu onrustig geworden. De hond blafte verschrikt naar de hemel. Toen de man één oog naar boven richtte en langs de rand van zijn bolhoed keek, leek hij aan de grond vastgenageld te zijn. Hij nam een hemelsblauwe lucht waar. Hij, die in de nacht was vastgeketend. Droomde hij of was wat hij meende waar te nemen reëel? Zijn nieuwsgierigheid was echter groter dan zijn wantrouwen, dus stapte hij verder naar het park. In de weerspiegeling van de vijver merkte hij tot zijn grote verbazing geen blauwe lucht op, maar een duistere nachthemel. Wanneer hij vooroverboog, merkte hij in het zilverachtige water een weerspiegeling van zichzelf. Maar toen hij zijn linkerhand opstak, deed het spiegelbeeld niet hetgeen een gewone spiegel zou doen. Zijn identieke waterbeeld stak namelijk ook zijn linkerhand op. De man raakte het water met zijn vingertoppen aan. Op dat moment woelde een duizeligheid in zijn diepste binnenste op en even voelde hij angst wanneer hij zichzelf voelde vallen. Hij viel naar boven en zag zijn spiegelbeeld naar de bodem van de vijver verdwijnen. Zijn spiegeling werd steeds kleiner en veranderde langzaam tot niet meer dan een zwart vlekje. Net op het ogenblik dat hij de grens tussen dag en nacht bereikte, ontwaarde hij niets meer. Toen hij zijn ogen weer kon openen, zag hij Loulou liggen, zoals tevoren, op het zachte tapijt. Hij zat terug in de woonkamer, maar hij voelde nog altijd hoe het beeld van de andere wereld op zijn netvlies prikte. Hij stond op, nog altijd verbaasd en overdonderd. Hij liep naar de eetkamer en wierp een blik op het sneeuwwitte doek. Hij pakte met een vluchtige beweging zijn penseel en begon te schilderen. Hij schilderde zijn eigen, net ontdekte, absurde wereld. Een paradox die alleen bestond voor mensen voor wie alles mogelijk was. Het was een wereld die bestond uit de symbiose van dag en nacht. Hij schilderde de lucht, de lantaarn, het geheimzinnige water en verweefde alles met schaduwzijden en lichtzijden. Toen hij het hele beeld op het doek had geschilderd, bekeek hij alles met een tevreden gevoel. Tenslotte schreef hij in de onderste rechterhoek zijn naam, Magritte. “Het Rijk der Lichten,” fluisterde hij zacht en glimlachte.

F4F958

17:58 Gepost door Eva in Kunst | Permalink | Commentaren (1) | Tags: magritte, verhaal, kunst |  Facebook |

Commentaren

Echt knap

Gepost door: peter | 16-11-07

De commentaren zijn gesloten.