26-08-07

Verhaal: Vincent Van Gogh

Langzaam dwarrelde schemerlicht neer op de smalle huisjes van Auvers-sur-Oise. Het leek alsof de stilte het dorpje in haar macht hield. Het was ondertussen al half negen. De klok tikte verder, zoals ze altijd getikt had. Gelukkig zat Theo naast hem. Als hij er was, stierf alle angst weg. Vincent voelde hoe tranen opwelden vanuit zijn binnenste. Het leek wel alsof scherpe disteldoornen in zijn keel prikten. Theo was er geweest voor hem. Niet alleen vandaag, op deze mistroostige maandagavond. Nee. Altijd. Hij was de enige die hem werkelijk begrepen had. Voor Theo was hij geen vreemde geweest zoals hij voor alle andere wel was. Theo had hem moed gegeven, gesteund en getroost. Wat zou er van hem geworden zijn zonder zijn lieve broer? Wat kon hij Theo ooit in de plaats teruggeven? Niets. Werkelijk niets. Want het was onbeschrijfbaar hoeveel schilderen voor hem waard was. Theo had hem dit schildersleven zomaar gegeven. En zonder zijn schilderen voelde hij zich als niemand. In zijn schilderijen kon hij zijn gedachten weven. Met elke penseelstreek verwoorde hij een deel van zichzelf. Schilderen was altijd de spiegel van zijn ziel geweest. 

Wanneer hij zovele keren om vijf uur ‘s ochtends opgestaan was, had hij altijd verlangt naar nieuwe horizonten. Nieuwe kleuren. Velden. Bomen. Luchten. Mensen. Bloemen… Hij had hele dagen kunnen schilderen. Elke minuut achter het doek had hij gekoesterd.  

Hij dacht terug aan zijn jeugd; de lange wandelingen met Theo in Zundert. Hij herinnerde hoe ze samen hadden staan kijken hoe de wind over de  wilgen streek, alsof ze nooit iets mooiers gezien hadden. Hij herinnerde zich de donkere, koude dagen in de Borinage. De moeilijke dagen in Den Haag. De natuur in Drenthe. Hij dacht terug aan Parijs, waar hij Gauguin, Rénoir, Guillaumin, Toulouse-Lautrec, Seurat, Pissarro, Cézanne ontmoet had. Hij had er voor het eerst kennis gemaakt met het impressionisme. Hij wist nog hoe hij zo aangetrokken geweest was door dat licht, dat overweldigende licht dat kleuren helder maakte. Zo trok hij naar het zuiderse Arles. Op zoek naar het licht. Arles, daar waar de zonnebloemenvelden goudgeel kleurden onder de hete zomerzon. Het gele huis. Daar had hij graag gewoond. O, wat was het leuk om daar aan terug te denken. De cipressen, de vlakten en korenvelden. Maar Arles was ook het begin geweest van zijn wanhoop. De wanhoop die als een dreigende draaikolk elke goede gedachte liet verdrinken. Hij was een man die altijd liefde had willen geven. Niemand had die liefde aanvaard. Iedereen vond hem anders, raar. Maar was dat anders zijn juist niet wat hem tot zichzelf maakte? Ze hadden hem nooit willen begrijpen.  

Zijn droom was om met schilders samen te leven en dezelfde passie te delen. Wanneer die droom in het water viel, had de wanhoop hem in vlagen overvallen. Hij herinnerde zich dagen van vertwijfeling. Vragen welden in hem op als golven in een woelige zee. Wat was het nog waard, dit alles? Wat had hij bereikt in dit leven? Tussen zijn aanvallen verlangde hij altijd naar zijn penseel. Geestdriftig probeerde hij te schilderen. Hij verborg zijn verdriet in de donkerblauwe, wervelende hemels. Na het gesticht in Saint-Rémy de Provence was hij hier beland, in de zolderkamer van de herberg van Ravoux. Dokter Gachet deed alles om hem er weer bovenop te helpen. Dus schilderde hij opnieuw: het kerkje, het gemeentehuis, een aantal portretten… Nu voelde hij zich weer kalmer, het leek alsof de onrust in zijn hoofd verdwenen was. 

Gisteren was hij vroeg in de morgen de heuvel opgelopen, een sneeuwwit doek in de hand. Aan het kerkhof sloeg hij een smal landweggetje in. Hij hield even zijn adem in wanneer hij naar het koren keek en plaatste even later de schildersezel stevig in de grond. Kraaien streken plots op en vulden met hun zwarte silhouet de hemel. Hij begon koortsachtig te schilderen. Het werd een eindeloos veld met een lange weg die nergens naartoe leed. De donkerblauwe hemel vulde hij met de inktzwarte kraaien. En op het moment dat hij zijn allerlaatste penseelstreek aan het doek gegeven had, was hij tevreden. Tevreden met zijn schilderij, met al zijn schilderijen, met zijn leven… Hij liep de weg in die hij geschilderd had, niet wetend waar die naartoe leed. Hij keek naar de hemel. Hij was gelukkig, even. Niet veel later sloeg zijn geluk opnieuw over in een vlaag van wanhoop. Het contrast was hem te groot. Hij greep naar het pistool in zijn zak. Hij voelde dat zijn tijd gekomen was. Hier wil ik sterven, dacht hij, tussen het koren, in mijn eigen schilderij. En met die gedachte schoot hij. Hij herinnerde zich hoe hij met een bebloed hemd teruggestrompeld was naar de herberg. Niet veel later was Theo gekomen. Theo, wiens tranen nu op Vincents handen drupten en als parels in het maanlicht glinsterden . Stil hoopte hij dat alles weer goed zou komen met Vincent. Zonder Vincent zou hij niet kunnen. Al heel hun leven waren ze de beste vrienden geweest. Niets zou dat kunnen verbreken. “Alles zal weer goed komen, we zullen je proberen te genezen,” fluisterde hij Vincent toe. Vincent keek hem ontroerd aan.“La tristesse durera toujours…” zei Vincent.Theo omarmde hem. "Ik wilde dat ik zo heen kon gaan," zei Vincent tenslotte en hij sloot zijn ogen. 

De begrafenis vond plaats in het kerkje dat Vincent voordien nog geschilderd had. Op zijn kist lag een overvloed aan gele bloemen. Zonnebloemen, dahlia’s… De kleur vervulde de harten met het licht waar Vincent zo naar gezocht had. Licht, in hart en schilderij. Naast de kist stond zijn vertrouwde schildersezel, zijn vouwstoeltje en zijn penselen. Hij had er zoveel uren mee doorgebracht, het leek wel of deze voorwerpen een deel van zijn leven vertelden. Theo’s hart was gebroken. Hij was niet enkel zijn broer verloren, maar ook zijn beste vriend. Hij twijfelde of hij zichzelf niet een beetje verloren had. Tranen zochten hun weg langs de lijnen van zijn gezicht. Woorden waren overbodig, want ze waren te min om Vincents leven te verwoorden of spijt te betuigen. De brandende zon die Vincent zo vaak vergezeld had, liet haar licht op de kist rusten, wanneer men de heuvels van Auvers-sur-Oise beklom. Het kleine kerkhof straalde rust uit. Daar werd Vincent begraven, onder de hemelsblauwe hemel, tussen de velden, in de natuur… die hij zo had liefgehad.  

Zes maanden later sterft Theo. In 1914 werd hij naast Vincent begraven, naast zijn geliefde broer. De twee waren immers onafscheidelijk. In de hemel konden ze elkaar weerzien en omarmen. Klimop vanuit de tuin van dokter Gachet werd op het graf gepland. Die plant bedekt de graven van Vincent en Theo als één tot op de dag van vandaag. Ze hadden samen geleefd, hun boodschap aan de wereld gebracht om uiteindelijk voor eeuwig en één dag samen te zijn. 

De wereld draaide voort. Overdag scheen zonlicht over hun graven, ’s nachts fonkelden sterren boven hun graven, jarenlang. 117 jaar na de dood van Vincent Van Gogh bezocht een meisje van 16 jaar, Eva, het graf van Vincent en Theo. Voor haar was Vincent geen vreemde, integendeel voor haar was hij een held. Ze had zijn schilderijen gezien. Ze was erdoor ontroerd. Zoveel jaren na zijn dood sprak zijn kunst als een heldere gedachte. Ze was hem achtervolgd in de tijd. Ze had Zundert, Drenthe, Arles, Auvers-sur-Oise bezocht. Ze was musea gaan bezoeken om zijn schilderijen te bezichtigen, want zijn kunst liet hem verder leven. Ze bukte zich voor het graf en plukte een paar takjes klimop. Thuis zette ze het plantje in water en wachtte tot ze het kon planten in haar eigen tuin…

 

graf

De commentaren zijn gesloten.